Een analysecertificaat — vaak afgekort als CoA, certificate of analysis — is het document waarmee een leverancier onderbouwt wat er in de flacon zit. Voor onderzoek is dat het enige harde aanknopingspunt dat u heeft. Toch wordt zo’n certificaat vaak vluchtig bekeken. In dit artikel lopen wij de onderdelen langs die er werkelijk toe doen.
1. Batchnummer en datum
Begin bovenaan. Het batchnummer op het certificaat moet exact overeenkomen met het nummer op het etiket van de flacon die u in handen heeft. Een certificaat zonder batchnummer, of met een nummer dat niet op het etiket terugkomt, zegt niets over uw specifieke materiaal. Let ook op de analysedatum: die hoort te liggen na de productiedatum van de batch, niet ervoor.
2. HPLC-chromatogram
Hogedrukvloeistofchromatografie scheidt de bestanddelen van het monster. Op het chromatogram ziet u pieken; de hoofdpiek is het doelpeptide. De zuiverheid wordt uitgedrukt als het percentage van het totale piekoppervlak dat door die hoofdpiek wordt ingenomen.
Kijk niet alleen naar het getal onderaan. Beoordeel ook het chromatogram zelf:
- Basislijn: hoort vlak te zijn, zonder sterke drift
- Piekvorm: een symmetrische, scherpe hoofdpiek — sterke staartvorming wijst op problemen in de scheiding
- Nevenpieken: een paar kleine nevenpieken is normaal; een cluster grote nevenpieken vlak naast de hoofdpiek verdient aandacht
- Integratie: is het hele chromatogram getoond, of alleen een uitsnede rond de hoofdpiek?
Dat laatste punt wordt onderschat. Een uitsnede kan verontreinigingen buiten beeld laten vallen die in het volledige chromatogram wel zichtbaar zouden zijn.
3. Massaspectrometrie
HPLC laat zien hoe zuiver het monster is, maar niet wát het is. Daarvoor dient de massaspectrometrie. Het MS-spectrum bevestigt de molecuulmassa van het peptide. Vergelijk de gemeten massa met de theoretische massa uit de literatuur — die twee horen binnen de meetnauwkeurigheid van het apparaat overeen te komen.
Bij peptiden ziet u vaak meervoudig geladen ionen, bijvoorbeeld [M+2H]²⁺ of [M+3H]³⁺. De gerapporteerde massa moet dan zijn teruggerekend naar de neutrale molecuulmassa. Staat er alleen een enkel getal zonder spectrum, dan kunt u de identiteit niet zelf verifiëren.
4. Zoutvorm en netto peptidegehalte
Dit is het punt waar de meeste verwarring ontstaat. Synthetische peptiden worden meestal geleverd als acetaat- of trifluoracetaatzout, en bevatten daarnaast restvocht. Het gewicht in de flacon is dus niet gelijk aan de hoeveelheid peptide.
Een certificaat dat het netto peptidegehalte vermeldt, is bruikbaarder dan een certificaat dat alleen het brutogewicht geeft. Bij aminozuuranalyse wordt dat gehalte expliciet bepaald. Ontbreekt die informatie, houd er dan rekening mee dat het werkelijke peptidegehalte lager ligt dan het opgegeven gewicht.
5. Uiterlijk en oplosbaarheid
Tot slot de eenvoudige observaties: kleur, vorm van het lyofilisaat en de opgegeven oplosbaarheid. GHK-Cu hoort bijvoorbeeld een duidelijke blauwe kleur te hebben door het kopercomplex. Wijkt het uiterlijk van het materiaal sterk af van wat het certificaat beschrijft, dan is dat op zichzelf al een reden om contact op te nemen met de leverancier.
Samengevat
Een bruikbaar certificaat bevat minimaal: een batchnummer dat overeenkomt met het etiket, een volledig HPLC-chromatogram met zuiverheidspercentage, een MS-spectrum met de bevestigde molecuulmassa, en informatie over zoutvorm en peptidegehalte. Ontbreekt een van die onderdelen, vraag er dan naar. Een leverancier die het materiaal daadwerkelijk heeft laten analyseren, kan het aanleveren.
Dit artikel gaat over documentatie en kwaliteitscontrole van referentiestoffen voor laboratoriumonderzoek. Het bevat geen informatie over toepassing bij mensen of dieren.