Waarom er geen 10 mg in een flacon van 10 mg zit

Tegenion, restvocht en nevenproducten maken samen tien tot twintig procent van het brutogewicht uit. Waarom een HPLC-zuiverheid van 99 procent daar niets over zegt, en hoe u uw concentratie corrigeert met het netto peptidegehalte.

Titelkaart met de tekst Waarom er geen 10 mg in een flacon van 10 mg zit en het logo van Peptides Kopen

Op het etiket staat 10 mg. Op de weegschaal weegt de inhoud ook 10 mg. En toch zit er geen 10 mg peptide in de flacon — eerder ergens tussen de 7 en 9 milligram.

Dat is geen fout van de fabrikant en geen misleiding. Het is een onvermijdelijk gevolg van hoe synthetische peptiden worden gemaakt en gedroogd. Wie het verschil niet meerekent, werkt met concentraties die tot twintig procent naast de bedoelde waarde liggen — en dat is precies de orde van grootte waarin veel dosis-responsverschillen zich afspelen.

Waar het gewicht naartoe gaat

Samenstelling van een flacon met 10 mg brutogewicht Gestapelde balk die tien milligram brutogewicht verdeelt in 7,8 milligram netto peptide (78 procent), 1,3 milligram tegenion in de vorm van acetaat (13 procent) en 0,9 milligram restvocht (9 procent). Rekenvoorbeeld op basis van gangbare waarden voor een acetaatzout. 0 mg 10 mg brutogewicht op het etiket 7,8 mg 1,3 mg 0,9 mg Netto peptide — 78% Tegenion (acetaat) — 13% Restvocht — 9%
Rekenvoorbeeld met gangbare waarden voor een acetaatzout. De precieze verdeling verschilt per stof, per fabrikant en per batch — en staat op het analysecertificaat.

Drie posten bepalen het verschil tussen wat de flacon weegt en wat er aan werkzaam materiaal in zit: het tegenion, het restvocht en — in mindere mate — nevenproducten uit de synthese.

1. Het tegenion

Peptiden worden vrijwel nooit als vrije base geleverd. De basische zijketens in de keten — lysine, arginine, histidine en het vrije aminouiteinde — zijn bij neutrale pH positief geladen. Die lading moet ergens door worden gecompenseerd.

Tijdens de laatste zuiveringsstap, meestal omgekeerde-fasechromatografie, gebeurt dat door het zuur dat in de mobiele fase zit. In de praktijk is dat trifluorazijnzuur, TFA. Het peptide verlaat de kolom dus als TFA-zout, en die trifluoracetaatmoleculen wegen mee.

Hoeveel dat scheelt, hangt af van het aantal basische groepen. Een peptide met vijf lysineresten bindt meer tegenionen dan een keten met één. Bij TFA-zouten loopt de bijdrage in de praktijk op tot vijftien procent van het totale gewicht; bij acetaatzouten ligt het doorgaans iets lager.

Waarom TFA een probleem kan zijn

Er is een tweede reden om op het tegenion te letten. Trifluoracetaat is niet inert. In celkweek zijn effecten op celgroei en op de activiteit van bepaalde enzymen beschreven bij concentraties die bij normale peptideconcentraties gewoon voorkomen.

Voor een experiment waarin een klein effect wordt gemeten, is dat een reële storingsbron. Om die reden wordt een deel van het materiaal na synthese omgezet naar een acetaat- of hydrochloridezout — een extra bewerking die op het certificaat hoort te staan.

Een variant op datzelfde idee is een zout met een aminozuur als tegenion. Bij Arg-BPC-157 is dat arginine, wat naast een andere gewichtsverhouding ook een betere oplosbaarheid en minder aggregatie oplevert dan de acetaatvorm van hetzelfde peptide.

2. Restvocht

Gevriesdrogen verwijdert water door het eerst te bevriezen en vervolgens onder vacuüm rechtstreeks te laten verdampen. Volledig droog wordt een lyofilisaat daarmee nooit. Peptiden zijn hygroscopisch: ze binden watermoleculen zo stevig dat die pas bij temperaturen loskomen waarbij de keten zelf zou afbreken.

Een restvochtgehalte van vijf tot tien procent is normaal. Het getal is bovendien niet constant — een flacon die na openen aan kamerlucht wordt blootgesteld, neemt vocht op. Dat is de praktische reden achter het advies om materiaal op temperatuur te laten komen vóór het openen: een koude flacon in een warme ruimte trekt condens aan.

3. Nevenproducten uit de synthese

Vaste-fasepeptidesynthese bouwt de keten aminozuur voor aminozuur op. Verloopt één koppelingsstap onvolledig, dan ontstaat een keten waarin precies dat ene residu ontbreekt: een deletiesequentie.

Zo’n molecuul verschilt in massa slechts met het gewicht van dat aminozuur en gedraagt zich bij chromatografie vrijwel identiek aan het gewenste product. Bij een opgegeven zuiverheid van 99 procent is de resterende procent doorgaans van dit type — verwante ketens, geen willekeurige vervuiling.

Waarom 99% HPLC niet zegt wat het lijkt te zeggen

Hier ontstaat de meest voorkomende misvatting rond analysecertificaten. Een HPLC-zuiverheid van 99 procent betekent: van al het materiaal dat de detector heeft geïdentificeerd, valt 99 procent onder één piek.

Wat die uitspraak niet omvat:

  • Water — absorbeert niet bij de gebruikte golflengte en verschijnt niet in het chromatogram.
  • Zouten en tegenionen — spoelen met het oplosmiddelfront mee, buiten het integratievenster.
  • Materiaal dat niet oplost — wordt vóór injectie weggefilterd en is per definitie onzichtbaar.

Chromatografische zuiverheid en netto peptidegehalte zijn dus twee volstrekt verschillende getallen. Het eerste zegt iets over de kwaliteit van de synthese, het tweede over hoeveel werkzaam materiaal er in de flacon zit. Een certificaat dat alleen het eerste vermeldt, laat de vraag die er voor uw concentratieberekening toe doet onbeantwoord.

Hoe het netto gehalte wordt bepaald

Er zijn twee gangbare methoden. Aminozuuranalyse breekt een monster volledig af tot losse aminozuren, waarna die kwantitatief worden gemeten. Uit de gevonden hoeveelheden volgt hoeveel peptide er in het monster zat. Het is de referentiemethode, maar bewerkelijk.

Kwantitatieve UV-bepaling maakt gebruik van de absorptie van tryptofaan en tyrosine bij 280 nanometer, waarvan de extinctiecoëfficiënten bekend zijn. Snel en betrouwbaar — maar alleen bruikbaar als de sequentie ten minste één van die aminozuren bevat. Bij een peptide als epithalon, dat geen enkel aromatisch residu heeft, vervalt deze route.

Wat u er in de praktijk mee doet

De correctie zelf is eenvoudig. Staat er 10 mg op het etiket en vermeldt het certificaat een netto peptidegehalte van 78 procent, dan bevat de flacon 7,8 mg peptide. Wie een oplossing van 1 mg/ml wil, voegt dus 7,8 ml oplosmiddel toe — niet 10.

Drie punten om aan te houden:

  • Vraag het netto gehalte op als het ontbreekt. Een leverancier die het niet kan leveren, heeft het niet laten meten.
  • Noteer de zoutvorm in uw protocol. Bij vervolgbatches met een ander tegenion verandert de omrekening, ook al is het peptide identiek.
  • Reken per batch, niet per stof. Restvocht en zoutverhouding verschillen tussen batches van dezelfde fabrikant.

Welke onderdelen een bruikbaar certificaat verder bevat, staat in ons artikel over het lezen van een analysecertificaat.

Kort samengevat

  • Brutogewicht bestaat uit netto peptide, tegenion en restvocht; het laatste twee zijn samen goed voor tien tot twintig procent.
  • TFA als tegenion is niet inert en kan in celkweek zelf effect hebben.
  • Een HPLC-zuiverheid van 99 procent zegt niets over water, zout of onopgelost materiaal.
  • Netto peptidegehalte wordt bepaald met aminozuuranalyse of, bij aromatische residuen, met kwantitatieve UV.
  • Reken concentraties om met het netto gehalte van de betreffende batch, niet met het etiketgewicht.

Alle genoemde producten worden uitsluitend geleverd als referentiemateriaal voor laboratorium- en onderzoeksdoeleinden.

Bestemd voor wetenschappelijk onderzoek en laboratoriumanalyse. Alle artikelen en informatie op deze website dienen uitsluitend voor informatieve en educatieve doeleinden. Zij vormen geen medisch, farmaceutisch of ander professioneel advies.